Autisme: de genetische factor wordt overschat
Een internationale studie wijst erop dat de omgevingsfactoren even belangrijk zijn als de genen bij de pathogenese van autismespectrumstoornissen. Omgevingsfactoren zouden voor ongeveer 50% wegen, en genen ook. Volgens vroegere ramingen zouden genetische factoren goed zijn voor 80-90%.
Dat is het onverwachte resultaat van een analyse van anonieme gegevens van nationale gezondheidsregisters van twee miljoen kinderen die tussen 1982 en 2006 in Zweden zijn geboren, onder wie 14.516 kinderen bij wie autismespectrumstoornissen waren gediagnosticeerd.
De auteurs van de studie zeggen verrast te zijn. Ze hadden niet verwacht dat omgevingsfactoren zo belangrijk zouden zijn. Mogelijke omgevingsfactoren zijn de sociaal-economische toestand van het gezin, complicaties bij de geboorte, infecties bij de moeder en de geneesmiddelen die de moeder voor en tijdens de zwangerschap inneemt.
Volgens prof. Reichenberg et al. mogen we het spoor van genetische oorzaken echter niet laten vallen. Erfelijkheid speelt wel degelijk een rol, zoals in het tweede deel van de studie wordt aangetoond. Mensen met een neef die autistisch is, lopen tweemaal meer kans om zelf ook autistisch te zijn. Het risico is driemaal hoger bij mensen met en halfbroer of halfzus met autisme, en tienmaal hoger bij mensen met een autistische broer of zus.
(referenties: JAMA, 7 mei 2014, DOI:10.1001/jama.2014.4144 en DOI:10.1001/jama.2014.3554)