Het idee dat je geen bètablokkers mag voorschrijven bij COPD, houdt hardnekkig stand

De richtlijnen pleiten voor gebruik van bètablokkers bij COPD-patiënten met een bewezen cardiale indicatie, maar in de praktijk blijkt slechts een klein percentage van de patiënten die er baat bij zouden kunnen vinden, daadwerkelijk een bètablokker te krijgen.
Bètablokkers zijn onder meer geïndiceerd bij hartfalen en coronairlijden. Laat dat nu net twee aandoeningen zijn die vaak voorkomen bij COPD-patiënten. Hoewel ruimschoots bewezen is dat bètablokkers het bronchospasme niet verergeren en de prognose bij COPD zelfs verbeteren, aarzelen veel artsen nog altijd om bètablokkers in die situatie voor te schrijven. Dat blijkt onder meer uit de resultaten van een multicentrische, Spaanse studie bij 256 ambulante COPD-patiënten met hartfalen of coronairlijden die in aanmerking kwamen voor een behandeling met een bètablokker.
Bij 58% van die patiënten werd een bètablokker voorgeschreven, waar dat bij patiënten zonder COPD gemiddeld 97% was. En dat is jammer. De onderzoekers hebben immers aangetoond dat een oordeelkundig gebruik van bètablokkers het aantal visites op de spoedgevallendienst wegens exacerbaties verlaagt (relatief risico van opname op de spoedgevallendienst tijdens de afgelopen 12 maanden 0,27).
De belangrijkste factoren die het risico op exacerbaties verhoogden, waren (in dalende volgorde van belang) het GOLD-stadium (odds ratio 2,52), antecedenten van hartfalen (OR 2,27), een hartfrequentie in rust > 70/min (2,19), gebruik van langwerkende ß-agonisten (OR 2,18) en diabetes (OR 1,82).
Denk er dus aan.