Spoor van IL-13 bij ernstig astma op de helling gezet
Toediening van een monoklonale antistof tegen IL-13 aan patiënten met een ernstig, therapieresistent astma blijkt geen klinisch significant effect te hebben. Dat bewijst andermaal dat logica en werkelijkheid niet altijd synoniem zijn.
Patiënten met een ernstig, refractair astma hebben per definitie een astma dat niet onder controle is ondanks gebruik van hoge doseringen van corticoïden (via inhalatie en per os) en langwerkende ß-agonisten. Die patiënten hebben dus duidelijk nood aan aanvullende geneesmiddelen om het astma beter onder controle te brengen.
Interleukine-13 speelt een rol bij de pathogenese van astma en vermindert de gevoeligheid voor corticoïden. IL-13 lijkt dan ook een goede potentiële therapeutische target bij ernstig astma.
Logisch dus, maar de feiten spreken dat tegen...
Na 12 weken behandeling met een monoklonale antistof tegen IL-13 werd geen klinisch significante verbetering waargenomen bij patiënten die aanvankelijk symptomen vertoonden ondanks inhalatiecorticosteroïden in een maximale dosering.
In deze studie werd de mate van controle van het astma beoordeeld aan de scores van een vragenlijst, de longfunctie en de exacerbaties.
Er werd evenmin een verbetering vastgesteld in subgroepen van patiënten met hoge serum-IgE-spiegels en/of een hoog aantal eosinofielen.
Die resultaten waren een verrassing, ook al omdat toediening van die IL-13-antagonist de longfunctie wel verbeterde bij patiënten met een minder ernstig astma. Een zwaluw maakt de lente niet. De resultaten die bij een ernstig, refractair astma werden behaald, moeten nog worden bevestigd, maar de auteurs denken dat een precieze inflammatoire fenotypering misschien wenselijk is bij patiënten met een ernstig astma om op grond daarvan het therapeutische beleid aan te passen.