Leuvense artsen stellen trachearegeneratie in vraag
De baanbrekende publicaties in verband met trachearegeneratie berusten op misleidende informatie blijkt mede uit Leuvens onderzoek rond tracheatransplantatie. In het aprilnummer van de 'Journal of Thoracic and Cardiovascular Surgery' publiceerden professoren Pierre Delaere en Dirk Van Raemdonck het artikel 'The trachea: the first tissue-engineered organ?'. Het werd een kritische reflectie op dit onderwerp.
In 2008 verscheen een publicatie (P. Macchiarini et al.) in the Lancet over een patiënt die behandeld werd door middel van trachearegeneratie. Deze procedure werd verwezenlijkt door het aanbrengen van stamcellen op een avitaal of synthetisch substraat. Sindsdien is er een ware hype ontstaan rond de mogelijkheden van trachearegeneratie. Gebaseerd op het zogenaamde succes met trachearegeneratie groeide ook het optimisme om andere organen te regeneren. De Leuvense professoren Pierre Delaere en Dirk Van Raemdonck stellen in een recent artikel de tracheageneratie in vraag.
Volgens de Leuvense artsen is de structuur van de trachea niet zo eenvoudig als die vaak wordt voorgesteld en is het één van de moeilijkste organen van het menselijk lichaam om te vervangen. In het artikel hekelen de professoren het gebrek aan experimentele gegevens, zowel bij proefdieren als bij mensen. Van de 14 patiënten die met deze techniek behandeld werden zijn er immers slechts 3 beschreven in de literatuur. Van de overige 11 zijn enkel niet-gepubliceerde rapporten beschikbaar. Daaruit blijkt dat de morbiditeit en de mortaliteit zeer hoog is: meer dan de helft van de patiënten stierf binnen de 3 maanden na de ingreep. De patiënten die langer leefden hadden dat vooral te danken aan een stent die de luchtwegen vrij hield.
Daarenboven zijn er geen directe beelden beschikbaar van de transplantatie en het daaropvolgende herstel van de weefsels. Ook autopsiegegevens ontbreken. De beelden die wel gepubliceerd zijn werden vrij snel na de transplantatie gemaakt en laten niet toe om het weefsel duidelijk te zien of werden gemaakt wanneer de stent in de trachea zat. Nochtans zou het met de huidige visualisatietechnieken toch mogelijk moeten zijn om dit te bestuderen.
Voor de veiligheid van de patiënt is het dus primordiaal dat de werkzaamheid en de veiligheid van deze techniek eerst bewezen wordt vooraleer er wordt overgegaan tot nieuwe transplantaties. Het enthousiasme is dus even getemperd.