Soja biedt geen beterschap voor astmapatiënten
Epidemiologische en klinische gegevens wijzen erop dat een voeding die veel isoflavonen en vooral genisteïne bevat, gepaard gaat met een betere controle van het astma en een betere longfunctie bij astmalijders. Maar dat betekent daarom nog niet dat het een oorzakelijk verband betreft.
Soja bevat veel isoflavonen, die vooral bekend staan voor hun pro-oestrogene eigenschappen, maar ook ontstekingsremmende effecten hebben (zoals in vitro en in vivo werd aangetoond). Isoflavonen zouden dan ook interessant kunnen zijn bij astma. Daarom heeft de American Lung Association de SOYA-studie uitgevoerd, een grote, multicentrische, gerandomiseerde, placebogecontroleerde, dubbelblinde studie. De eerste resultaten werden gepresenteerd op het internationale symposium van de American Thoracic Society in 2013 en werden nu opnieuw voorgesteld in San Diego.
SOYA
De SOYA-studie (SOY isoflavones in Asthma) werd uitgevoerd bij 386 patiënten met een ongecontroleerd astma (gemiddelde score van 17 op de astmacontroletest) die werden behandeld met inhalatiecorticosteroïden of een leukotrieenreceptorantagonist al dan niet in combinatie met een langwerkende ß-agonist. Het betrof een vrij jonge populatie (gemiddelde leeftijd 36 jaar) van overwegend vrouwen (66%), met een vrij matig astma (ESW 80% van de theoretisch voorspelde waarde). 50% van de patiënten had het laatste jaar voor inclusie een kuur met orale corticosteroïden gekregen en 77% werd minstens één keer op de spoedgevallendienst opgenomen.
Geen enkele patiënt vertoonde bij de inclusie een onvoldoende inname van isoflavonen en geen enkele patiënt heeft zijn voeding tijdens de studie veranderd. Voor de studie werd genisteïne in een dosering van 100 mg/d verdeeld over twee giften gekozen omdat in een preliminaire studie was aangetoond dat die dosering efficiënt is bij het controleren van het astma.
Placebo versus isoflavonen
Na 24 weken was er geen verschil in de ESW voor bronchodilatatie (het primaire eindpunt) tussen de twee behandelingsgroepen. Er was evenmin een significant verschil in de secundaire eindpunten tussen de twee groepen:
- stijging met twee punten bij de astmacontroletest;
- even hoog aantal episoden van verlies van controle;
- geen significante verandering van de laboratoriumparameters in vergelijking met het begin van de studie (IL-6, CRP, eosinofilie in het bloed, NO in de uitgeademde lucht).
Op een zeer lichte toename van veranderingen van de menstruatiecyclus in de behandelde groep na (71% versus 64% in de placebogroep), overigens zonder klinische betekenis op gynaecologisch vlak, werd de actieve behandeling even goed verdragen als de placebo.
Er was evenmin een verschil in levenskwaliteit tussen de twee groepen. De auteurs zeggen dat er geen overtuigende argumenten zijn die een verklaring zouden kunnen vormen voor de negatieve resultaten.
De enige conclusie die we uit die studie kunnen trekken, is dat supplementen van isoflavonen de controle van het astma allicht niet verbeteren. Ook illustreert dat mooi dat er soms een hemelsbreed verschil is tussen de resultaten van in-vitrostudies en transversale studies en de resultaten van prospectieve klinische studies, zeker op het gebied van de voeding en astma.