Nieuwe indicatie voor omalizumab?
Het is nog te vroeg om daar uitspraak over te doen, maar één ding is zeker: toediening van omalizumab bij het starten van een orale immunotherapie wegens allergie voor koemelkproteïnen verbetert de tolerantie.
Dat werd aangetoond in een gerandomiseerde, placebogecontroleerde studie waarvan de resultaten werden gepresenteerd op een late breaking sessie.
De studie werd uitgevoerd bij 56 patiënten van 7-35 jaar met een bewezen allergie voor koemelkproteïnen (positieve epicutane test of specifieke IgE en een positieve provocatietest) en 20 onbehandelde controlepersonen. De patiënten werden gerandomiseerd naar omalizumab of een placebo gedurende vier maanden voor de start van de orale immunotherapie en die behandeling werd voortgezet tot de 16de maand, toen alle proefpersonen de onderhoudsdosering hadden bereikt.
23% van de patiënten in de placebogroep vertoonde diverse symptomen tijdens de orale immunotherapie. In de omalizumabgroep was dat maar 5%. In 4,7% van de gevallen moest daarvoor een behandeling worden gestart in de placebogroep. In de omalizumabgroep was dat maar 1,2%. Er werd zelden adrenaline toegediend, maar toch vaker in de placebogroep dan in de omalizumabgroep (respectievelijk 0,2% en 0,01%). Het aantal doses nodig om de onderhoudsperiode te bereiken en de tijd nodig om die te bereiken, waren significant lager in de placebogroep (respectievelijk 198 versus 225 en 26 weken versus 31, p=0,01 in beide gevallen).
Het is nog niet bewezen dat omalizumab het aantal patiënten dat tolerant wordt en op lange termijn tolerant blijft, verhoogt, maar de eerste resultaten zien er toch goed uit. Neemt niet weg dat het vermijden van het voedselallergeen de norm blijft en dat het nut van een orale immunotherapie nog moet worden bewezen.