Matrashoes als wapen tegen allergie, een verkeerd goed idee
Een matrashoes om blootstelling aan huismijt te beperken gaat het optreden van allergische aandoeningen niet tegen en verlaagt de prevalentie van klinische verschijnselen niet.
Huismijtallergie is zeer verspreid en veroorzaakt tal van allergische aandoeningen zoals astma en chronische allergische rinitis. Huismijten uitschakelen is nagenoeg onbegonnen werk. Vaak wordt dan ook geprobeerd om de huismijten in te sluiten op plaatsen waar ze bijzonder talrijk zijn, en vooral dan in matrassen. Uiteindelijk brengen we gemiddeld bijna een derde van ons leven door op een matras. De matras kan worden geïsoleerd met een hoes gemaakt van een materiaal dat de huismijten niet zou doorlaten.
Een groep uit Louisiana heeft een studie uitgevoerd om na te gaan of die optie, die in de VS en elders sterk wordt aanbevolen, wel klinisch relevante resultaten oplevert. De onderzoekers hebben in de literatuur gezocht naar studies die het effect van een matrashoes op het optreden van een allergische aandoening hebben onderzocht [primaire preventie, 7 studies met in het totaal 3461 patiënten], en studies die het effect van een matrashoes op de allergische symptomen hebben onderzocht [tertiaire preventie, 17 studies met in het totaal 1671 patiënten).
Ze zijn er helaas niet in geslaagd om een significante daling aan te tonen van het relatieve risico op optreden van de belangrijkste allergische aandoeningen. Alle 95% betrouwbaarheidsintervallen omvatten de eenheid (1): wheezing (van 0,81 tot 1,05), astma (van 0,70 tot 1,02), rinitis (van 0,90 tot 1,19) en eczeem (van 0,84 tot 1,32).
De matrashoes verminderde evenmin de allergische symptomen. Het verschil tussen de groep met en de groep zonder matrashoes was minimaal en niet significant: expiratoire piekstroom (van -0,15 tot +0,09), score van astmasymptomen (van -0,32 tot +0,20) en score van neussymptomen (van -0,88 tot +0,11).
Het enige significante resultaat was een significante daling van de hoeveelheid huismijt in de matras met 2 tot 40%, maar dat had duidelijk geen klinische betekenis.