Opnieuw ongelijkheid tussen man en vrouw (AAAAI 2014)
Astma is een frequente comorbiditeit bij chronische rinosinusitis en patiënten die tevens neuspoliepen hebben, vertonen hoge concentraties van antistoffen tegen specifieke antigenen van de gastheer. Dat wijst op auto-immune afwijkingen.
Astma en auto-immuniteit komen beide vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Een groep uit Chicago heeft daarom een studie uitgevoerd om na te gaan of de frequentie en de ernst van chronische rinosinusitis verschillen naargelang van het geslacht.
De resultaten werden gepresenteerd op een officiële persconferentie. Wat chronische rinosinusitis zonder neuspoliepen betreft, was er geen verschil tussen mannen en vrouwen. Maar er waren wel grote verschillen in geval van chronische rinosinusitis én neuspoliepen.
- Chronische rinosinusitis met neuspoliepen kwam vaker voor bij mannen dan bij vrouwen, maar vrouwen vertoonden tweemaal vaker ook de twee andere componenten van de triade van Widal (astma en intolerantie voor aspirine/niet-steroïdale ontstekingsremmende middelen) dan mannen.
- Al met al was de ernst van de sinusitis vergelijkbaar, maar de waarschijnlijkheid van ernstige sinusitis was hoger bij vrouwen.
- De prevalentie van chirurgische heringreep was hoger bij vrouwen (41% versus 27%, p < 0,05) en liep op tot 48% (p < 0,001) bij vrouwen die ook astma hadden. (65% van de vrouwen en ongeveer 50% van de mannen in de studie hadden astma, p < 0,001).
- De hoeveelheid auto-antistoffen in de poliepen was vergelijkbaar in de twee geslachten, maar de hoogste concentraties werden gemeten bij de vrouwen die ook astma hadden.
Op grond van die resultaten concluderen de vorsers dat de pathogenetische mechanismen van chronische rinosinusitis waarschijnlijk niet dezelfde zijn bij mannen en vrouwen en dat dat leidt tot een ernstigere aantasting bij vrouwen. Op termijn zou dat kunnen uitmonden in een behandeling die verschilt volgens het geslacht.